Hoe zou een orkest eruitzien als het werd uitgevonden in Brussel? Hoe klinkt de meest kosmopolitische stad van Europa? Dat is de vraag die acht Brusselse muzikanten op de eerste zondagavond van het jaar samenbrengt in de gemoedelijke cafetaria van gemeenschapscentrum De Vaartkapoen. Klarafestival nodigde hen uit voor een meerjarig traject om onder de inspirerende begeleiding van Fabrizio Cassol en Adèle Viret op zoek te gaan naar de klank van Brussel. Een week lang zullen ze tijdens een residentie in De Vaartkapoen gloednieuw repertoire creëren.
Maar eerst dus een etentje om kennis te maken. Sommige muzikanten hebben eerder al samen gespeeld of kennen elkaars werk, maar voor iedereen zit er wel een nieuw gezicht bij. Het is dan ook een ongebruikelijke, misschien wel unieke bezetting die hier samenkomt: oud, kamancheh, elektrische gitaar, elektrische bas, percussie, guembri, West-Afrikaanse fluit en saxofoon. Acht mensen, (minstens) evenveel muzikale tradities, praktijken en visies. Een dwarsdoorsnede van de hyperdiverse realiteit van Brussel. Hoe breng je zoveel stemmen met elkaar in gesprek? Met ontvankelijkheid misschien. Er hangt een gezonde nerveuze trilling in de lucht, de nieuwsgierigheid naar een nieuw begin. Als het eten wordt geserveerd, komen de gesprekken op gang. Kaito Winse heft een lied aan. Het ijs is gebroken.
De dag erna begint het echte werk. De muzikanten verzamelen in de grote, lichtrijke repetitieruimte van De Vaartkapoen en vormen een cirkel op de Perzische tapijten die het speelvlak markeren. Geen tijd te verliezen: Fabrizio Cassol vraagt iedereen om zich voor te stellen met een korte solo. Behalve de elektrische gitaar en bas moeten alle instrumenten zich eerst akoestisch laten horen – de naakte stem van elk instrument doet je begrijpen vanuit welke urgentie elke artiest spreekt.
‘Kom eens met één idee,’ stelt Cassol vervolgens voor, ‘niet meer.’ Een melodie tekent zich af. Maar verbanden zoeken? Een gedeelde toonsoort kiezen? Zover zijn ze nog niet. Elk universum moet afzonderlijk hoorbaar blijven. Een eerste muzikale gedachte houdt de groep in haar greep in een eindeloze loop. De lat ligt hoog: halve precisie bestaat niet. De frasering moet exact worden nagebootst, feilloos samen, en iedereen moet vooral opgaan in de heersende mood. Pas als dat lukt, is het de beurt aan de volgende muzikant. En precies daar draait het om: de anderen opzoeken, hun muzikale wereld betreden, en samen iets nieuws bouwen. De gezamenlijk gevormde frase draagt het DNA van elke speler. Voor Cassol zijn deze melodische fragmenten als open deuren naar ieders binnenste. Hij moedigt de musici aan om ‘elke deur écht open te laten.’
Met deze oefening is de toon voor de rest van de week gezet. De manier van werken omvat alles: luisterbereidheid, respect, precisie, creativiteit, vrijgevigheid en bescheidenheid. Geregeld wordt de geconcentreerde werksfeer onderbroken door geschater. In de eetpauzes halen de muzikanten bij een hartverwarmende maaltijd de banden aan. Er wordt veel gelachen, geknuffeld. Dit is niet alleen een ontmoeting tussen artiesten, maar ook tussen mensen.
Na de eerste fase van de residentie gooien Fabrizio Cassol en Adèle Viret het over een andere boeg. ‘Nu is het aan iedereen samen. Probeer maar alles uit wat je wilt uitproberen.’ De groep geeft zich over aan een meeslepende improvisatie. Ideeën vloeien moeiteloos in elkaar over, alsof ze al lang in de lucht hingen, wachtend om opgepikt te worden. Meteen valt op hoe sterk het muzikale materiaal is. Vanuit deze eerste improvisatie bouwen de muzikanten een stuk dat trouw blijft aan de oorspronkelijke ideeën, maar verder reikt ‘dan zomaar een jam’. Overal duiken nieuwe invallen op. De musici discussiëren, verfijnen hun overgangen, blijven soms steken op toonsoorten of lastige ritmische structuren. Adèle Viret houdt de samenhang strak in de gaten.
Een week lang staan luisteren en respect centraal. Geen leider die de boventoon voert, geen groepjes die zich afzonderen. Iedereen vindt zijn plek. Regelmatig besluit iemand om even niet te spelen, en zo ruimte te maken voor een idee dat nog helderder kan. Dit blijkt een opmerkelijk volwassen groep. Elke dag dat we de repetitieruimte binnenstappen, worden we weer overrompeld door nieuwe muzikale werelden en klankkleuren. En tegelijkertijd horen we echo’s van eerdere ideeën, die zich als puzzelstukken in het geheel nestelen.
Zodra een sequentie gebeiteld zit, pakken de musici met Fabrizio Cassol eerdere suggesties nog eens op. Geen idee wordt zomaar terzijde geschoven, want elk idee staat voor een intuïtie die juist is. Zo groeit het stuk: niet door simpelweg ideeën op elkaar te stapelen, maar door ze zorgvuldig met elkaar te verweven. De musici slagen met glans, daar boven op het dunne koord: ze spelen volledig in het moment, zonder de structuur van het stuk uit het oog te verliezen. Dixit Cassol: ‘Emotie komt op de eerste plaats, maar je hebt ook architectuur nodig. Het besef van de architectuur maakt het stuk sterker.’
Het einde van de residentieweek nadert. Voor het erop zit, spelen de muzikanten een try-out. De cirkel, die veilige cocon waarin ze hun muzikaal materiaal een week lang in alle beslotenheid gedeeld en ontwikkeld hebben, breekt open naar een concertopstelling. Het is precies zeven dagen geleden dat ze elkaar ontmoetten bij een maaltijd. Nu zijn ze klaar om hun muzikale universum te delen met een publiek van vrienden, projectpartners en mensen uit de wijk. Zo’n vijftig mensen zijn erbij voor deze avant-première. En zodra het concert begint, met de breekbare klank van kemenche, verschuift er iets. De concentratie die een week lang in de repetitieruimte hing, gaat over op het publiek. Er vibreert iets méér mee dan enkel de muziek. Iets als ontvankelijkheid. Een luisterbereidheid die verder gaat dan het puur muzikale. Menselijkheid.
Wat het publiek hoort, is gloednieuw. Tegelijk heeft de muziek wortels in alle wijken van de stad, én ver daarbuiten. Tijdens de vijftig minuten durende trip pikken de muzikanten de veelvormige identiteit van Brussel moeiteloos op. De klankwereld van het ensemble is opvallend warm, niet het minst dankzij het inventieve pedalenwerk van Vitja Pauwels. Hier en daar vinden muzikanten elkaar in verrassende duetten. Wie had gedacht dat kemenche (Mostafa Taleb) en sopraansax (Alejandra Borzyk) zo goed resoneren? Ook dat is Brussel: schijnbare schotten versmelten bij een oprechte ontmoeting. Soms vinden de muzikanten elkaar in de collectiviteit, soms spreken ze zich uit in bezwerende solo’s, zoals die van Louise van den Heuvel op bas. De genuanceerde percussie van Simon Leleux vangt de altijd wijzigende puls van de stad. Maar evengoed brengen Akram Ben Romdhane op oud of Imane Guemssy op guembri de groove in het werk, leggen ze ritmes over elkaar heen. De compositie getuigt van een durf om elkaar uit te dagen, maar de basishouding blijft genereus. De muziek pompt, spreekt, zingt, ademt, fluistert. Er worden meer dan honderd talen gesproken in Brussel. Een ervan is More, de taal van Kaito Winse. Hij zingt, speelt tegelijk fluit. Waar houdt de ene klank op en waar begint de volgende?
De ontlading achteraf. Muzikanten, team en publiek verbroederen rond een glas. Is dit dus de klank van Brussel? En is dit nu een orkest? De tongen komen los, er zijn veel stemmen, veel meningen, die zoals zo vaak in Brussel gepaard gaan met een grote luisterbereidheid. De wil om iets te horen wat helemaal anders is. Een nieuwe klank.
Tekst door Esther De Soomer & Hélène Delaporte
Akram Ben Romdhane © Chris Bulte / Sound of Brussels Orchestra © Morgane Staelens