Nelson Goerner
Images
Welkom op het 20e Klarafestival!
Onder de noemer We Are Now brengt deze bijzondere verjaardagseditie een ode aan het hier en nu. Niemand stapt de magie van het moment zo onvervaard binnen als festivalartiest Patricia Kopatchinskaja. Waar en wat ze ook speelt, deze Moldavische violiste en componiste laat de vlam in de pan slaan. Elk concert is voor haar een nieuw begin, een vol ogenblik waarin alles nog kan gebeuren. Klarafestival 2025 schetst een veelgelaagd portret van Patricia Kopatchinskaja als violiste, componiste en inspirator.
Ter ere van onze 20e verjaardag lanceren we een nieuwe traditie: één dag lang wordt de Kunstberg omgetoverd tot Muziekberg/Mont des Musiques. Naast concerten en voorstellingen op verschillende locaties houden we een nieuw ensemble boven de doopvont. Sound of Brussels Orchestra gaat op zoek naar de uitzonderlijke klank van Brussel.
We leven in uitdagende tijden. Ook daar staan enkele festivalprojecten bij stil. Tegelijkertijd bewijzen ze hoeveel hoop er tussen de noten van een Stabat Mater of een Dies Irae kan schuilen. Hoe muziek ons kan beroeren en inspireren. Voor Patricia Kopatchinskaja is muziek geen abstracte materie: ‘Muziek is er om iets mee te doen. Ook wanneer ze geen concrete boodschap of functie heeft, appelleert ze aan ons. Ze wil gehoord worden. Ik geloof niet in absolute muziek. Niet écht.’
Laat het feest losbarsten!
Joost Fonteyne, intendant
Jan Raes, voorzitter
Chantal Pattyn, nethoofd Klara
Nelson Goerner – piano
Coproduction: Klarafestival, Flagey
Maurice Ravel (1875-1937)
Pavane pour une infante défunte, M. 19
Valses nobles et sentimentales, M. 61
Claude Debussy (1862-1918)
Images (Livre I), L. 110
-
Reflets dans l’eau
-
Hommage à Rameau
-
Mouvement
L’Isle joyeuse, L. 106
– interval –
Franz Liszt (1811-1886)
Ballade No. 2 in B Minor, S. 171
Etudes de concert, S. 144/2, ‘La leggierezza’
Valses oubliées, S. 215/2
Hungarian Rhapsody, S. 244/6
Elk op hun manier toverden Franz Liszt, Claude Debussy en Maurice Ravel hele werelden uit het klavier tevoorschijn. Deze componisten waren pioniers in hun zoektocht naar een nieuwe muzikale expressie, harmonische innovatie en virtuositeit.
Het recital van de Argentijnse pianist Nelson Goerner sluit aan bij de recente publicatie van zijn twaalfde opname bij Alpha Classics, gewijd aan de pianowerken van Franz Liszt. Door hoogtepunten uit het pianorepertoire van Ravel en Debussy naast die van Liszt te plaatsen, komen de werken tot leven. Zo zijn schaduwen van Debussy’s impressionistische klanken te vinden in de visionaire harmonieën van Liszt, terwijl Ravels verfijnde, coloristische schrijfstijl ondenkbaar zou zijn zonder Liszts beruchte virtuositeit.
Ravels ode aan het verleden
Vraag je iemand naar Maurice Ravels (1875-1937) populairste muziekwerken, dan staat Boléro, M. 81 bovenaan, gevolgd door Pavane pour une infante défunte, M.19. De Pavane uit 1899 beschrijft volgens Ravel ‘een evocatie van een pavane die een jonge prinses [Infanta] in vroegere tijden aan het Spaanse hof zou hebben gedanst’. Ravel neemt de elegantie en het ritme over van de langzame processiedans uit de 16e en 17e eeuw. Hij hult de dans in een subtiele, nostalgische sfeer dankzij impressionistisch aandoende harmonieën en modulaties.
Net zoals de Pavane een nostalgische terugblik is naar een ver Spaans verleden, zijn de acht Valses nobles et sentimentales, M. 61 uit 1911 een eerbetoon aan componist Franz Schubert (1797-1828). In 1823 had Schubert een reeks walsen met dezelfde titel uitgebracht. Bij de uitvoering van Ravels walsen op 9 mei 1911 bleef de titel een geheim. Het concert was een muzikaal experiment, georganiseerd door de Franse Société musicale indépendante. De muziekwerken werden anoniem uitgevoerd en het publiek moest raden welke componist ze had geschreven. Tot Ravels teleurstelling, werden zijn walsen maar door ‘een nipte meerderheid’ herkend. Andere luisteraars dachten dat de muziek geschreven was door Erik Satie, Charles Koechlin, Vincent d'Indy of zelfs Zoltán Kodály. De Franse componisten in deze rij waren belangrijke vernieuwers van de eigentijdse Franse muziek. Het toont het moderne jasje waarin Ravel zijn Valses nobles et sentimentales had gestoken.
Het complexe en gevarieerde dansritme dat de walsmelodieën stuwt, ondersteunt Ravel met gedurfde harmonieën, modale toonladders en polytonaliteit. Elk van de dansen is ronduit uniek. In de ‘Épilogue’, de laatste wals, keert Ravel terug naar thema’s en motieven uit de voorgaande zeven walsen. Ravel moet zich kostelijk geamuseerd hebben bij het componeren. Al schertsend voegt hij aan zijn suite een citaat toe van dichter Henri de Régnier: ‘...Le plaisir délicieux et toujours nouveau d'une occupation inutile’ (‘Het heerlijke en altijd nieuwe genot van een nutteloze bezigheid’).
Het beeldende universum van Debussy
‘Tout l’univers visible n’est qu’un magasin d’images et de signes auxquels l’imagination donnera une place et une valeur relative; c’est une sorte de pâture que l’imagination doit digérer et transformer.’ (‘Het hele zichtbare universum is slechts een opslagplaats van beelden en tekens waaraan de verbeelding een plaats en een relatieve waarde toekent; het is een soort voedsel dat de verbeelding moet verteren en transformeren.’) Dit citaat uit Le peintre de la vie moderne omvat Charles Baudelaires (1821-1867) symbolische en modernistische visie, een opvatting die ook de Franse componist Claude Debussy (1862-1918) met hem deelt. En doordat Debussy ‘net zo dol is op beelden als op muziek’ culmineert dit in visionaire werken zoals zijn Images voor piano. Deze suite van zes werken bundelt hij in twee boeken in 1905 en 1907.
Beeld en muziek gaan hand in hand in het eerste deel, ‘Reflets dans l'eau’. Het spel van het licht in het water verklankt Debussy aan de hand van snelle arpeggio's, flarden van melodieën en glinsterende klankgolven die nooit tot een echte climax leiden. ‘Hommage à Rameau’, de tweede Image, is net zomin als Ravels Valses nobles et sentimentales een Schubert-kopie. Zijn hommage is eerder een melancholische terugblik naar de tijd van componist Jean-Phillipe Rameau (1683-1764). Debussy combineert op sublieme wijze de trage sarabande-dans en Rameau’s barokke harmonische modale taal met zijn eigen typisch impressionistische parallelle kwarten, kwinten en akkoordprogressies. Volgens Goerner horen we hier ‘Debussy op zijn best. De lyriek van het middendeel is zeldzaam in zijn muziek. Dit is de pagina waaromheen het hele boek is georganiseerd.’ Het eerste boek Images sluit wervelend af met ‘Mouvement’. Het deel weerspiegelt Debussy’s fascinatie voor beweging als een abstract concept. Een constant aanwezig ostinato in de rechterhand stuwt de muziek, terwijl Debussy voortdurend nieuwe motieven en melodieën introduceert die subtiele ritmische verschuivingen veroorzaken.
Weg van Parijs, van hun entourage, van hun verantwoordelijkheden… In het geheim trokken Debussy en zijn geliefde Emma Bardac in 1904 naar het eiland Jersey voor een korte vakantie. Hoezeer zij genoten van hun paradijselijke ontsnapping klinkt door in L'Isle joyeuse, een euforisch werk waarin Debussy de zee bezingt. Hij inspireerde zich bij het componeren waarschijnlijk op het schilderij L'Embarquement pour Cythère van Antoine Watteau. Horen we in de muziek een reis van mysterie naar vreugde? De vele trillers en chromatische lijnen evoceren de opwinding van het vertrek, waarna de muziek de vreugdevolle ontdekking van de paradijselijke plek uitdrukt. De sprankelende toonladderfiguren en ritmes leiden ten slotte naar wat Goerner omschrijft als ‘de grote finale explosie’. Een gepast slot voor L'Isle joyeuse want, zo schrijft hij, het is een ‘wonder van stijl, van kleuren, van tempo. Het is een stralend werk.’
Liszt in al zijn facetten
Liszt inspireerde zijn Tweede Ballade op de griezelige ballade Lenore van Gottfried Bürger. Een jonge vrouw, die wanhopig rouwt om de vermeende dood van haar geliefde, wordt 's nachts door een mysterieuze ruiter opgehaald, die uiteindelijk de dood blijkt te zijn en haar meeneemt naar het graf. De ballade dateert uit de lente van 1853, kort nadat Liszt zijn Pianosonate voltooide. Drie contrasterende thema’s onderwerpt Liszt in de ballade aan tal van thematische transformaties die de luisteraar toelaten het achterliggende verhaal te herkennen. De reeks stemmingen die hij oproept zijn dreigend, dramatisch of net heel lyrisch. Maar wat zijn Tweede Ballade vooral typeert, is het bijzonder virtuoze pianospel.
Deze virtuositeit is ook het startpunt van La leggierezza, een pianostudie die Liszt in 1849 publiceerde samen met twee andere Études de Concert. De grillige openingsmaten leiden naar een ‘Quasi Allegretto’ waarin knipogen naar de delicate pianomuziek van Frédéric Chopin (1810-1849) nooit ver weg zijn. In deze studie reiken technische virtuositeit en poëtische expressie elkaar de hand. Bovendien flirt Liszt in La leggierezza met het impressionisme van Debussy door de vele chromatische modulaties en akkoordprogressies.
Harmonisch nog verregaander zijn de dissonanten en chromatiek in de korte tweede Valse oubliée die Liszt in zijn latere jaren componeerde. Zijn vier Valses oubliées dateren namelijk van de jaren 1881 en 1884. Het ‘vergeten’ karakter van de wals is een metafoor voor de vergankelijkheid van tijd, liefde en jeugd. De sfeer van de wals is dan ook bijzonder verfijnd, subtiel en melancholisch.
Hoe groot is vervolgens het contrast met de patriottistisch geladen Hongaarse Rapsodie Nr. 6! Liszt publiceerde vanaf de jaren 1840 tal van arrangementen van Hongaarse ‘nationale’ melodieën. Zijn belangrijkste reeks ontstond uit de periode waarin hij zich in Weimar vestigde: een serie van vijftien Hongaarse Rapsodieën (1851-1853) die hij inspireerde op de Hongaarse zigeunermuziek. De rapsodie volgt de traditionele lassan-friska-structuur, een tweedelige vorm die typisch is voor Liszt's Hongaarse Rapsodieën. De Lassan introduceert op plechtige wijze de melodie, die vervolgens leidt naar de energieke en (vooral) grensverleggend virtuoze Friska. Een feest voor de pianist en de luisteraar.
Waldo Geuns
Nelson Goerner
Nelson Goerner is een van de meest gewaardeerde pianisten van vandaag. In 1990 brak hij internationaal door toen hij de Concours international d'exécution musicale de Genève won. Sindsdien werkte hij samen met orkesten als Philharmonia Orchestra, Orchestre de Paris, London Philharmonic Orchestra en NHK Symphony Orchestra en met dirigenten als Vladimir Ashkenazy, Philippe Herreweghe, Fabio Luisi en Esa Pekka-Salonen. Als kamermuzikant deelde Goerner het podium met muzikanten als Martha Argerich, Janine Jansen en Steven Isserlis. Voor Alpha Classics maakte hij cd-opnames van werk van o.a. Beethoven, Chopin, Brahms en Debussy, waarvoor hij meermaals een Diapason d’Or ontving.
Structural partners
Klara, KPMG
Event partners
Belfius, Interparking, Proximus
Cultural partners
Ancienne Belgique, Belgian National Orchestra, Bozar, Brussels Philharmonic, Flagey, Kaaitheater, Muntpunt, Passa Porta
Public funding
Nationale Bank, Nationale Loterij meer dan spelen, Stad Brussel, Visit Brussels, Vlaamse Gemeenschap
Media partners
BRUZZ, De Standaard, Knack, La Première, La Trois, Le Soir, Musiq3, Radio 1, Ring TV, Le Vif, VRT Eén, VRT Canvas, VRT Max
Festival suppliers
Daniel Ost, Drukkerij VD, Fruit at Work, Tarteletto, Victor Bozar Cafe
Patrons
Wim Bossens, Alex Brabers, Tania Seynhaeve & Jan Raes, Sophie Rutten