Programmaboekje

Composer Arvo Pärt in a forest

Belgian National Orchestra & Lorenzo Gatto

Arvo Pärt 90

22.03.2025 — 20:00
Bozar, Henry Le Boeufzaal
Voorwoord

Welkom op het 20e Klarafestival! 

 

Onder de noemer We Are Now brengt deze bijzondere verjaardagseditie een ode aan het hier en nu. Niemand stapt de magie van het moment zo onvervaard binnen als festivalartiest Patricia Kopatchinskaja. Waar en wat ze ook speelt, deze Moldavische violiste en componiste laat de vlam in de pan slaan. Elk concert is voor haar een nieuw begin, een vol ogenblik waarin alles nog kan gebeuren. Klarafestival 2025 schetst een veelgelaagd portret van Patricia Kopatchinskaja als violiste, componiste en inspirator. 

 

Ter ere van onze 20e verjaardag lanceren we een nieuwe traditie: één dag lang wordt de Kunstberg omgetoverd tot Muziekberg/Mont des Musiques. Naast concerten en voorstellingen op verschillende locaties houden we een nieuw ensemble boven de doopvont. Sound of Brussels Orchestra gaat op zoek naar de uitzonderlijke klank van Brussel. 

 

We leven in uitdagende tijden. Ook daar staan enkele festivalprojecten bij stil. Tegelijkertijd bewijzen ze hoeveel hoop er tussen de noten van een Stabat Mater of een Dies Irae kan schuilen. Hoe muziek ons kan beroeren en inspireren. Voor Patricia Kopatchinskaja is muziek geen abstracte materie: ‘Muziek is er om iets mee te doen. Ook wanneer ze geen concrete boodschap of functie heeft, appelleert ze aan ons. Ze wil gehoord worden. Ik geloof niet in absolute muziek. Niet écht.’

 

Laat het feest losbarsten! 

 

Joost Fonteyne, intendant

Jan Raes, voorzitter

Chantal Pattyn, nethoofd Klara

Programma

Belgian National Orchestra 

Matthew Halls – musical direction 

Lorenzo Gatto – violin 

 

Coproduction: Klarafestival, Bozar, Belgian National Orchestra

With the support of: the Tax Shelter of the Belgian government via Casa Kafka Pictures

 

Arvo Pärt (1935)

Estländler 


Spiegel im Spiegel 


Fratres


‘Ludus’ from Tabula Rasa


Estländler


Mozart-Adagio


Arbos


Symphony No. 3

I.

II.

III.


Cantus in Memory of Benjamin Britten

Programmatekst

Zoals zowat voor alle componisten in de voormalige Sovietunie, verliep de carrière van Arvo Pärt (°1935) als een moeizame zoektocht naar een eigen muzikale stijl. In zijn officiële werklijst experimenteerde Pärt eerst met seriële technieken en wendde hij zich al snel tot vrijere vormen en collagetechnieken. Twee keerpunten waren er: het Credo (1968) dat vooruitwijst naar alle religieuze muziek waar Pärt zich op zou toeleggen. Daarnaast bestudeerde hij in die jaren intens oude muziek (Machaut, Ockeghem, Josquin). Het resultaat van die interesse had voor het eerst in de Derde symfonie (1971) een duidelijk hoorbare impact. In deze symfonie ruilt Pärt zijn avant-gardetechnieken in voor een renaissanceachtig polyfoon weefsel van muzikale lijnen.

 

Na twee lange periodes van creatieve stilte kwam Pärt in de periode 1976-77 met een ware uitbarsting van werken waarin hij zijn sindsdien zo kenmerkende stijl neerzette en waarmee hij wereldwijd furore zou maken – weliswaar mits enige vertraging: hij breekt pas door nadat hij met zijn familie in 1980 Estland verlaat en naar het Westen trekt. Dat een van die werken Tabula Rasa (1976) als titel kreeg, geeft aan hoe sterk Pärt rond 1976 een nieuw begin wil maken – letterlijk met een ‘schone lei’. Hij zoekt nog steeds inspiratie in het verleden: het eerste deel, ‘Ludus’, doet denken aan een barok concerto grosso, net als in de muziek van zijn collega Alfred Schnittke, die bij de première van Pärts werk trouwens de pianopartij voor zijn rekening nam. Het grote verschil is dat de eenvoud van het materiaal en de invloed van oude muziek nu gekoppeld zijn aan een compositietechniek met een eigen harmonische taal, waarvan Fratres (1977) getuigt.

 

Dit werk is een typisch voorbeeld van Pärts uiterst eenvoudige maar daardoor ook zo indringende compositietechniek, waarvoor hij zelf de benaming ‘tintinnabuli’ introduceerde. Afgeleid uit het Latijn voor ‘kleine klok’ beschrijft het de indringende sound van Pärts muziek. Kort samengevat bestaat tintinnabuli uit een voortdurend aanwezige grote of kleine drieklank die de stralende sonoriteit verzekert, terwijl andere partijen daar diatonische toonladderachtige figuren (op basis van hele tonen, red.) in dezelfde modus doorheen weven. Aan dit ‘recept’, dat aan zijn muziek zo’n onmiddellijke herkenbaarheid verleent, is weinig spectaculairs, integendeel. Arvo Pärt schept muziek die naar archaïsche elementen lonkt (met modi die je ook in het Gregoriaans of renaissancemuziek vindt) en hij plaatst de drieklank, het aloude tonale ankerpunt bij uitstek, nadrukkelijk centraal. Toch klinkt zijn muziek niet reactionair. Ze volgt geen stereotiepe akkoordprogressies en bouwt juist een heel eigen logica op, schipperend tussen consonanten en zeer opvallende dissonanten. Het klinkt tegelijk vertrouwd, maar ook wat vreemd; oud én eigentijds.

 

Dit concert volgt geen chronologisch of thematisch parcours door Pärts werk, maar is opgebouwd als een klankervaring. Net zoals veel werken van deze componist – de Cantus in Memory of Benjamin Britten is een uitstekend voorbeeld – is het hele programma opgebouwd als één groot crescendo. Wisselende combinaties van instrumenten beginnen klein en solistisch en dikken geleidelijk aan tot de orkestrale caleidoscoop van de Derde symfonie om ten slotte weer wat af te slanken tot de strijkers en buisklokken van Cantus in Memory Benjamin Britten.

 

Estländler is daarbij een wat atypisch werkje – deze fluitsolo is geschreven voor een pedagogische bundel. De titel knipoogt naar de dans (‘Ländler’) waarvan de drieledige maatsoort heel herkenbaar is, en naar Pärts vaderland Estland. Het Mozart-Adagio (1992) is het meest atypische werk op het programma, aangezien Pärt hier het langzame deel van Mozarts pianosonate KV 280 neemt en er subtiel hier en daar wat extra noten aan toevoegt. Het is meer een discrete dialoog met Mozart dan de herkenbare Pärt-stijl. Ook Spiegel im Spiegel (1978) voor viool en piano is opvallend sober, maar met weinig noten wel geraffineerd opgebouwd: de melodie van de solopartij bestaat uit segmenten die elkaars spiegelbeeld zijn. Iedere stijgende frase in de solopartij wordt meteen gevolgd door een dalende frase. De solopartij begint met een frase van twee noten, dan drie, dan vier en zo verder, telkens met de la als eindpunt, tot halverwege het werk ook dat proces spiegelsymmetrisch wordt omgedraaid en de frasen telkens een noot minder tellen. Uiteindelijk komt de compositie weer uit waar ze begonnen was.

 

Het illustreert hoe Pärt behalve de sensuele tintinnabuli-klank ook vasthoudt aan abstracte, rationele systemen om zijn muziek mee te construeren. Het is niet ondenkbaar dat de rationele kant van het ‘geleerde contrapunt’ van de renaissancemuziek daar inspirerend voor heeft gewerkt. In elk geval komt dat duidelijk naar voor in Cantus in Memory Benjamin Britten (1978). Daar spelen alle partijen dalende toonladderachtige lijnen – je zou kunnen zeggen dat het stuk in wezen één grote dalende toonlader in la klein is. Die toonladderfiguren beginnen hoog in de eerste violen en bij iedere volgende inzet van een strijkersgroep  verschijnt hetzelfde materiaal een octaaf lager én met notenwaarden die dubbel zo lang zijn, zodat de vijfde partij – de contrabassen – 16 keer trager klinkt dan de eerste violen. Deze techniek, waarbij de partijen dezelfde noten aan andere snelheid spelen, is een beproefd staaltje van contrapuntisch vernuft uit de renaissance. We kennen het als ‘proportiecanon’, bijvoorbeeld van Ockeghems Missa Prolationum. Ook Pärts Arbos (1977) is als zo’n strenge proportiecanon opgebouwd, maar bevat slechts drie lagen, en omdat de partijen aanvankelijk tegelijk inzetten (in tegenstelling tot in Cantus, waar ze één voor één geïntroduceerd worden) is dat minder onmiddellijk duidelijk voor het oor, al zal het ook wel opvallen dat de hoge partijen sneller bewegen dan de lage partijen. Zelfs in deze streng geconcipieerde werken laat Pärt ruimte voor een vrijere expressieve toets door op welgekozen momenten percussie toe te voegen.

 

Maarten Beirens

Biografie

Belgian National Orchestra 

Het Belgian National Orchestra heeft sinds jaar en dag het Paleis voor Schone Kunsten (Bozar) als thuisbasis. Dankzij vaste samenwerkingen met Festival van Vlaanderen en Festival de Wallonie staat het daarnaast regelmatig in alle provinciehoofdsteden van het land. Bovendien speelt BNO zich internationaal in de kijker door tournees in het buitenland en door de begeleiding te voorzien op de Koningin Elisabethwedstrijd. Hoewel de focus van het orkest op het symfonische repertoire, hedendaagse muziek en filmmuziek ligt, deinst het niet terug voor experimenten met popartiesten als Ozark Henry of Stromae. Sinds 2022 staat BNO onder leiding van de Nederlandse chef-dirigent Antony Hermus.

 

Matthew Halls

De Britse dirigent Matthew Halls is sinds 2023 chef-dirigent van het Finse Tampere Filharmonia. Daarnaast leidde hij als gastdirigent orkesten als Chicago Symphony Orchestra, Cleveland Orchestra, Royal Liverpool Philharmonic en de Wiener Symphoniker. Als operadirigent was hij o.a. te zien bij de Bayerische Staatsoper, Central City Opera Colorado en Salzburger Landestheater. Zijn achtergrond in de oude muziek maakte hem tot een van de eerste gastdirigenten van Concentus Musicus Wien, het barokensemble van Nikolaus Harnoncourt. Zijn discografie bevat opnames van Bachs klavecimbelconcerto’s, gedirigeerd vanaf het klavier, en de eerste opname van Händels opera Parnasso in Festa. 

 

Lorenzo Gatto

De Belgische violist Lorenzo Gatto studeerde op 17-jarige leeftijd af aan het Koninklijk Conservatorium Brussel en vervolmaakte zich nadien bij Herman Krebbers, Augustin Dumay en Boris Kuschnir. In 2009 behaalde hij de tweede plaats en won hij de publieksprijs van de Koningin Elisabethwedstrijd. Hij werkte samen met vooraanstaande dirigenten als Philippe Herreweghe, Walter Weller, Jaap van Zweden en Yannick Nézet-Séguin. Als kamermuzikant deelde hij het podium met o.a. Maria João Pires, Mischa Maisky, Martha Argerich en Gérard Caussé. Sinds 2015 werkt Gatto regelmatig samen met pianist Julien Libeer, met wie hij een opname maakte van Beethovens vioolsonates, bekroond met een Diapason d’Or.

Leden orkest en/of koor

BELGIAN NATIONAL ORCHESTRA

 

Konzertmeister

Alexei Moshkov

 

Eerste violen · Premiers violons

Lev Adamov

Sarah Guiget*

Maria Elena Boila

Nicolas De Harven

Keika Kawashima

Annija Endija Kolerta

Anastasiya Filippochkina

Françoise Gilliquet

Philip Handschoewerker

Akika Hayakawa

Ariane Plumerel

Isabelle Rowland

Serge Stons

 

Tweede violen · Deuxièmes violons

Ignacio Rodríguez Martínez de Aguirre**

Nathalie Lefin*

Michael Bonnay

Sophie Demoulin

Isabelle Deschamps

Hartwich D'Haene

Anouk Lapaire

Louis Noël

Ekaterina Philippovich

Jacqueline Preys

Marie-Danielle Turner

Ricardo Vieira

 

Altviolen · Alti

Mathis Rochat

Mihoko Kusama*

Dmitri Ryabinin*

José Azevedo

Frederik Camacho

Urska Doler

Katelijne Onsia

Jorge Ramos

Silvia Tentori Montalto

Marinela Serban

 

Cello’s · Violoncelles

Dmitry Silvian**

Maria-Christina Muylle*

Célia Brunet

Lesya Demkovych

Shiho Nishimura

Lucia Otero

Harm Van Rheeden

Taras Zanchak

 

Contrabassen · Contrebasses

Ludo Joly*

Robertino Mihai**

Serghei Gorlenko*

Mathieu Garnavault

Miguel Meulders

Gergana Terziyska

 

Fluiten · Flûtes

Denis-Pierre Gustin**

Jérémie Fèvre*

Samuel Hondekijn

Laurence Dubar*

 

Hobo’s · Hautbois

Dimitri Baeteman**

Irene Martin Sanchez*

Bram Nolf*

 

Klarinetten · Clarinettes

Emil Szymon Parulski

Alba Mayorga

Lena La Mela*

Giulio Piazzoli*

 

Fagotten · Bassons

Gordon Fantini**

Bert Helsen*

Filip Neyens*

 

Hoorns · Cors

Anthony Devriendt**

Katrien Vintioen*

Bernard Wasnaire*

Joannes Van Duffel*

 

Trompetten · Trompettes

Leo Wouters**

Andreu Vidal Siquier**

Ward Opsteyn*

Rudy Moercant

 

Trombones

Guido Liveyns**

Bruno De Busschere**

Josquin Chuffart van Der Gidsen

Pierre Duclos*

 

Tuba

Martijn van Rijswijk**

 

Pauken · Timbales

Nico Schoeters**

 

Slagwerk · Percussion

Katia Godart*

Koen Maes

 

Piano

Laurence Cornez

 

** Aanvoerder 1ste solist – 1ste solist aanvoerder · Chef de pupitre 1er soliste – 1er soliste chef de pupitre


* Solist · Soliste

Partners

Structural partners

Klara, KPMG

Event partners

Belfius, Interparking, Proximus

Cultural partners

Ancienne Belgique, Belgian National Orchestra, Bozar, Brussels Philharmonic, Flagey, Kaaitheater, Muntpunt, Passa Porta

Public funding

Nationale Bank, Nationale Loterij meer dan spelen, Stad Brussel, Visit Brussels, Vlaamse Gemeenschap

Media partners

BRUZZ, De Standaard, Knack, La Première, La Trois, Le Soir, Musiq3, Radio 1, Ring TV, Le Vif, VRT Eén, VRT Canvas, VRT Max

Festival suppliers

Daniel Ost, Drukkerij VD, Fruit at Work, Tarteletto, Victor Bozar Cafe

Patrons

Wim Bossens, Alex Brabers, Tania Seynhaeve & Jan Raes, Sophie Rutten

Advertentie Nationale Loterij